← Terug naar aanpak Fase 1 van 5

Bepalen doelgedrag

Doel van deze fase

In deze fase bepaal je precies welk gedrag je wilt veranderen. Je werkt van een breed doel naar een concreet doelgedrag. Dit doe je met de 6 W's.

De uitkomst van deze fase is de basis voor je hele traject. Neem hier dus de tijd voor.

Vuistregel: Hoe concreter je doelgedrag, hoe groter de kans dat je interventie het gedrag verandert.
Resultaat van deze fase

Een heldere beschrijving van het doelgedrag die concreet, meetbaar en relevant is

Model Doelgedrag

Het Model Doelgedrag laat zien hoe je van de huidige situatie naar het gewenste doel komt, op drie niveaus van abstractie. Het model heeft twee assen:

Model Doelgedrag - Van huidige situatie naar doel op drie niveaus

Voorbeeld: gezondheid. Het model is toepasbaar op elk gedragsveranderingsvraagstuk.

De drie niveaus

De routes naar gedragsverandering

Tip: Formuleer doelgedrag vanuit de doelgroep

Formuleer het doelgedrag als "Ik doe aan..." zodat het vanuit het perspectief van de doelgroep is geschreven. Bijvoorbeeld:

  • "Ik doe aan groente eten"
  • "Ik doe aan hardlopen"
  • "Ik doe aan yoga"

Problem Space Map

Bij complexe vraagstukken kan het helpen om eerst een Problem Space Map op te stellen. Dit is een visueel overzicht dat laat zien hoe je hoofddoel samenhangt met subdoelen, welke gedragingen nodig zijn om die doelen te bereiken, en welke doelgroepen betrokken zijn.

Problem Space Map: van doel via subdoelen en gedragingen naar doelgroepen

Problem Space Map: overzicht van doelen, gedragingen en doelgroepen

Wanneer gebruik je een Problem Space Map?

  • Bij complexe problemen met meerdere subdoelen
  • Wanneer verschillende doelgroepen betrokken zijn
  • Als je overzicht wilt krijgen voordat je één specifiek doelgedrag kiest
  • Om stakeholders te helpen het grotere plaatje te zien

Hoe stel je een Problem Space Map op?

  1. Start met het hoofddoel: Wat wil je uiteindelijk bereiken?
  2. Identificeer subdoelen: Welke tussendoelen dragen bij aan het hoofddoel?
  3. Bepaal de gedragingen: Welk gedrag is nodig om elk subdoel te bereiken?
  4. Koppel doelgroepen: Wie moet dit gedrag vertonen?

Na het opstellen van de Problem Space Map kies je één specifieke combinatie van gedraging en doelgroep om verder uit te werken met de 6 W's.

De 6 W's

Met de 6 W's werk je stap voor stap naar een duidelijke beschrijving van je doelgedrag.

1 Wat is je doel?

Welke situatie wil je bereiken? Wat wil je oplossen of verbeteren? In deze stap gaat het nog niet om het concrete gedrag, maar om wat je wilt bereiken.

Voorbeeld:

We willen dat de alcoholconsumptie van studenten vermindert.

2 Waarom is dit belangrijk?

Waarom is het bereiken van dit doel belangrijk? Denk aan:

  • Waarom is het doel belangrijk voor de organisatie?
  • Is er een maatschappelijk belang?
  • Wat is de urgentie?
  • Wat zijn de voordelen als je het doel bereikt?

3 Welk gedrag draagt bij aan dit doel?

Welk gedrag wil je dat mensen (anders) gaan doen? Maak een lijst van mogelijke gedragingen. Kies dan één gedrag waar je je op gaat richten.

Let op deze punten:

  • Welke impact heeft dit gedrag op je doel?
  • Hoe makkelijk is het om dit gedrag te veranderen?
  • Hoe makkelijk kun je dit gedrag meten?
Tips voor het beschrijven van gedrag:
  • Concreet: Kun je er een foto van maken?
  • Positief: Beschrijf wat mensen wél moeten doen, niet wat ze moeten laten
  • Continu: Beschrijf het gedrag in mate (hoeveel) in plaats van ja/nee
Voorbeeld goed: "Bezoekers gooien hun afval in de prullenbakken"
Voorbeeld minder goed: "Bezoekers gooien minder afval op de grond"

4 Wie moet dit gedrag veranderen?

Wie is je doelgroep? Beschrijf deze groep zo specifiek mogelijk:

  • Kenmerken zoals leeftijd, geslacht, opleiding
  • Subgroepen binnen de doelgroep
  • Andere betrokkenen die kunnen helpen
Let op: Hoe specifieker je doelgroep, hoe makkelijker je een interventie op maat kunt maken.
Voorbeeld specifiek: "Medewerkers van de afdeling marketing"
Voorbeeld te breed: "Alle medewerkers van de organisatie"

5 Waar vindt dit gedrag plaats?

In welke omgeving vindt het gedrag plaats? De omgeving heeft veel invloed op gedrag. Denk aan:

  • Wat zijn de kenmerken van deze plek?
  • Welke sociale regels gelden hier?
  • Zijn er veel of weinig mensen aanwezig?
  • Zijn er veel prikkels (drukte, geluid, visueel)?

Beschrijf de omgeving zo dat iemand die de plek niet kent zich er een beeld van kan vormen.

6 Wanneer wil je het doel bereiken?

Bepaal het moment waarop je wilt interveniëren en de termijn waarin je resultaat wilt zien:

  • Welk moment is het meest kansrijk voor een interventie?
  • Op welke termijn wil je het doel bereiken?
  • Welke tijdstippen zijn belangrijk (dagdeel, week, seizoen)?
Voorbeeld: Als je wilt dat huishoudens gezonder eten, kun je je richten op het moment dat ze boodschappen doen. Niet op het moment dat de ongezonde producten al in huis zijn.

Eisen aan je doelgedrag

Je beschrijving van het doelgedrag moet aan deze eisen voldoen:

Concreet

Kun je er een foto van maken?

Meetbaar

Kun je meten of het gedrag verandert?

Veranderbaar

Is het gedrag te veranderen?

Relevant

Draagt het bij aan je hogere doel?

Checklist

  • Je hebt je hogere doel beschreven (Wat)
  • Je hebt uitgelegd waarom dit doel belangrijk is (Waarom)
  • Je hebt één concreet doelgedrag gekozen (Welk gedrag)
  • Je hebt je doelgroep specifiek beschreven (Wie)
  • Je hebt de omgeving beschreven waar het gedrag plaatsvindt (Waar)
  • Je hebt bepaald wanneer je wilt interveniëren (Wanneer)
  • Je doelgedrag is concreet, meetbaar, veranderbaar en relevant