Doel van deze fase
In deze fase bepaal je precies welk gedrag je wilt veranderen. Je werkt van een breed doel naar een concreet doelgedrag. Dit doe je met de 6 W's.
De uitkomst van deze fase is de basis voor je hele traject. Neem hier dus de tijd voor.
Vuistregel: Hoe concreter je doelgedrag, hoe groter de kans dat je interventie het gedrag verandert.
Resultaat van deze fase
Een heldere beschrijving van het doelgedrag die concreet, meetbaar en relevant is
Model Doelgedrag
Het Model Doelgedrag laat zien hoe je van de huidige situatie naar het gewenste doel komt, op drie niveaus van abstractie. Het model heeft twee assen:
- Horizontaal: Van huidig (huidige situatie) naar doel (gewenste situatie)
- Verticaal: Van mindset (abstract) via gedrag naar handeling (concreet)
Voorbeeld: gezondheid. Het model is toepasbaar op elk gedragsveranderingsvraagstuk.
De drie niveaus
- Mindset: Het abstracte niveau van identiteit en zelfbeeld. Hoe ziet iemand zichzelf? Bijvoorbeeld: "Ik ben ongezond" → "Ik ben gezond".
- Gedrag: Het niveau van terugkerende gedragspatronen. Wat doet iemand structureel? Formuleer als "Ik doe aan...". Bijvoorbeeld: "Ik doe aan roken" → "Ik doe aan hardlopen".
- Handeling: Het concrete niveau van specifieke acties. Wat heeft iemand gedaan? Bijvoorbeeld: "Ik heb een sigaret gerookt" → "Ik heb gewandeld".
De routes naar gedragsverandering
- Visie / Inspireren: Van huidige mindset naar gewenste mindset. Creëer een inspirerend toekomstbeeld van wie je wilt zijn.
- Waarde gedreven: Van gewenste mindset naar gewenst gedrag. Vanuit de nieuwe identiteit bepalen welk gedrag daarbij past.
- Gedrag veranderen: Van huidig gedrag naar gewenst gedrag. Direct werken aan het veranderen van gedragspatronen.
- Internaliseren: Van gewenst gedrag of mindset naar concrete handelingen. De abstracte doelen vertalen naar dagelijkse acties.
- Gedrag beïnvloeden: Van huidige handelingen naar gewenste handelingen. Direct sturen op specifieke acties.
Tip: Formuleer doelgedrag vanuit de doelgroep
Formuleer het doelgedrag als "Ik doe aan..." zodat het vanuit het perspectief van de doelgroep is geschreven. Bijvoorbeeld:
- "Ik doe aan groente eten"
- "Ik doe aan hardlopen"
- "Ik doe aan yoga"
Problem Space Map
Bij complexe vraagstukken kan het helpen om eerst een Problem Space Map op te stellen. Dit is een visueel overzicht dat laat zien hoe je hoofddoel samenhangt met subdoelen, welke gedragingen nodig zijn om die doelen te bereiken, en welke doelgroepen betrokken zijn.
Problem Space Map: overzicht van doelen, gedragingen en doelgroepen
Wanneer gebruik je een Problem Space Map?
- Bij complexe problemen met meerdere subdoelen
- Wanneer verschillende doelgroepen betrokken zijn
- Als je overzicht wilt krijgen voordat je één specifiek doelgedrag kiest
- Om stakeholders te helpen het grotere plaatje te zien
Hoe stel je een Problem Space Map op?
- Start met het hoofddoel: Wat wil je uiteindelijk bereiken?
- Identificeer subdoelen: Welke tussendoelen dragen bij aan het hoofddoel?
- Bepaal de gedragingen: Welk gedrag is nodig om elk subdoel te bereiken?
- Koppel doelgroepen: Wie moet dit gedrag vertonen?
Na het opstellen van de Problem Space Map kies je één specifieke combinatie van gedraging en doelgroep om verder uit te werken met de 6 W's.
De 6 W's
Met de 6 W's werk je stap voor stap naar een duidelijke beschrijving van je doelgedrag.
1 Wat is je doel?
Welke situatie wil je bereiken? Wat wil je oplossen of verbeteren? In deze stap gaat het nog niet om het concrete gedrag, maar om wat je wilt bereiken.
Voorbeeld:
We willen dat de alcoholconsumptie van studenten vermindert.
2 Waarom is dit belangrijk?
Waarom is het bereiken van dit doel belangrijk? Denk aan:
- Waarom is het doel belangrijk voor de organisatie?
- Is er een maatschappelijk belang?
- Wat is de urgentie?
- Wat zijn de voordelen als je het doel bereikt?
3 Welk gedrag draagt bij aan dit doel?
Welk gedrag wil je dat mensen (anders) gaan doen? Maak een lijst van mogelijke gedragingen. Kies dan één gedrag waar je je op gaat richten.
Let op deze punten:
- Welke impact heeft dit gedrag op je doel?
- Hoe makkelijk is het om dit gedrag te veranderen?
- Hoe makkelijk kun je dit gedrag meten?
Tips voor het beschrijven van gedrag:
- Concreet: Kun je er een foto van maken?
- Positief: Beschrijf wat mensen wél moeten doen, niet wat ze moeten laten
- Continu: Beschrijf het gedrag in mate (hoeveel) in plaats van ja/nee
Voorbeeld goed: "Bezoekers gooien hun afval in de prullenbakken"
Voorbeeld minder goed: "Bezoekers gooien minder afval op de grond"
4 Wie moet dit gedrag veranderen?
Wie is je doelgroep? Beschrijf deze groep zo specifiek mogelijk:
- Kenmerken zoals leeftijd, geslacht, opleiding
- Subgroepen binnen de doelgroep
- Andere betrokkenen die kunnen helpen
Let op: Hoe specifieker je doelgroep, hoe makkelijker je een interventie op maat kunt maken.
Voorbeeld specifiek: "Medewerkers van de afdeling marketing"
Voorbeeld te breed: "Alle medewerkers van de organisatie"
5 Waar vindt dit gedrag plaats?
In welke omgeving vindt het gedrag plaats? De omgeving heeft veel invloed op gedrag. Denk aan:
- Wat zijn de kenmerken van deze plek?
- Welke sociale regels gelden hier?
- Zijn er veel of weinig mensen aanwezig?
- Zijn er veel prikkels (drukte, geluid, visueel)?
Beschrijf de omgeving zo dat iemand die de plek niet kent zich er een beeld van kan vormen.
6 Wanneer wil je het doel bereiken?
Bepaal het moment waarop je wilt interveniëren en de termijn waarin je resultaat wilt zien:
- Welk moment is het meest kansrijk voor een interventie?
- Op welke termijn wil je het doel bereiken?
- Welke tijdstippen zijn belangrijk (dagdeel, week, seizoen)?
Voorbeeld: Als je wilt dat huishoudens gezonder eten, kun je je richten op het moment dat ze boodschappen doen. Niet op het moment dat de ongezonde producten al in huis zijn.
Eisen aan je doelgedrag
Je beschrijving van het doelgedrag moet aan deze eisen voldoen:
Concreet
Kun je er een foto van maken?
Meetbaar
Kun je meten of het gedrag verandert?
Veranderbaar
Is het gedrag te veranderen?
Relevant
Draagt het bij aan je hogere doel?