← Terug naar aanpak Fase 2 van 5

Analyseren factoren

Doel van deze fase

In de analysefase onderzoek je welke factoren van invloed zijn op het doelgedrag. Je brengt systematisch in kaart welke elementen het huidige gedrag in stand houden en welke factoren de gewenste gedragsverandering kunnen bevorderen of belemmeren.

Resultaat van deze fase

De kernfactoren die van invloed zijn op het doelgedrag

Open gedragsanalyse

In de open gedragsanalyse onderzoek je welke factoren mogelijk een rol spelen bij het doelgedrag. Je komt systematisch tot een overzicht van factoren, oftewel een gedragslandschap, dat je vervolgens visueel weergeeft in de vorm van een divergente mindmap.

Onderzoeksmethoden

Het verzamelen van factoren begint met drie onderzoeksmethoden:

1. Observaties

Wanneer voer je een observatie uit?

  • Wanneer er nog weinig bekend is over gedrag in een bepaalde situatie
  • Wanneer je in een natuurlijke setting gedrag wilt observeren (werknemers in hun werkomgeving, leerlingen in de klas)
  • Wanneer mensen in een zelf-rapportage (vragenlijst of interview) gedrag anders zullen beschrijven (gevoelige onderwerpen, onbewust gedrag)

Hoe voer je een observatie uit?

  • Participerend: je maakt zelf onderdeel uit van de doelgroep en/of onderzoekssituatie. Voordeel: gedrag onderzoeken dat je met een interview niet kunt onderzoeken.
  • Niet-participerend: je maakt geen deel uit van de context. Voordeel: resultaten zijn betrouwbaarder omdat je de situatie niet beïnvloedt.
  • Gestructureerd: je stelt van tevoren regels vast en gebruikt een observatieschema. Voordeel: observaties kunnen worden vergeleken.
  • Ongestructureerd: je krijgt een breed beeld van de situatie en het gedrag. Nadeel: kans op niet-wetenschappelijke interpretaties.

2. Interviews

Wanneer doe je een interview?

  • Wanneer de doelgroep enigszins inzicht heeft in het gedrag
  • Wanneer de doelgroep met name zin heeft om tot op zekere hoogte inzicht te hebben in het gedrag

Stappenplan interviews:

  1. Voorbereiding: Selecteer thema's, zet ze in volgorde van breed naar specifiek, bewaar gevoelige thema's voor later
  2. Briefing: Leg het doel uit, garandeer anonimiteit, vraag toestemming voor opnames
  3. Afname: Stel open vragen, stimuleer antwoorden, tolereer stiltes, vraag door bij onduidelijkheden
  4. Debriefing: Bespreek ervaringen, vraag of de geïnterviewde nog iets toe te voegen heeft
  5. Inhoudsanalyse: Lees interviews terug, maak aantekeningen, kwantificeer of codeer de antwoorden

3. Literatuuronderzoek

Kijk in de literatuur naar wat er bekend is over je doelgedrag, jouw situatie en de gerelateerde factoren.

  • Begin met zoeken naar blogs over het onderwerp (helder en begrijpelijk geschreven)
  • Onderzoek welke artikelen de conclusies onderbouwen via de referentielijst
  • Check de betrouwbaarheid door te kijken naar het journal en de Impact Factor
  • Check de effectgrootte (Cohen's d of Pearson r) om te zien hoe sterk de gevonden effecten waren
  • Zoek naar systematic reviews of meta-analyses voor een volledig beeld

Wanneer heb je genoeg gelezen? Wanneer je het gevoel hebt dat je genoeg van het onderwerp af weet om er gegronde uitspraken over te kunnen doen. Minimaal twee artikelen per onderwerp.

Drie invalshoeken (Factor indeling)

Om een volledig beeld te krijgen van factoren die invloed hebben op je doelgedrag, kijk je vanuit drie invalshoeken: Systeem, Kennis en vaardigheden en Drivers en weerstand. Door elk van deze invalshoeken langs te gaan, verklein je de kans dat je typen factoren over het hoofd ziet.

1. Systeem

Omgevingsfactoren die invloed hebben op gedrag en/of de keuze-architectuur: wat kun je ontdekken in de omgeving dat een versterkende of verzwakkende invloed heeft op het gedrag?

Voorbeeldvragen:

  • Hoe maakt de omgeving het makkelijk om het ongewenste gedrag te vertonen?
  • Hoe maakt de omgeving het moeilijk om het gewenste gedrag te vertonen?
  • Welke associaties roept de omgeving waarin het gedrag plaatsvindt op?
  • Welke (sociale) regels spelen een rol in de situatie?
  • Speelt het tijdstip van de gewenste gedraging nog een rol?

Denk aan fysieke zaken (kantoor, geur, kleur, visuele prikkels) maar ook aan regels, protocollen, druk en organisatiestructuur.

2. Kennis en vaardigheden

Factoren die invloed hebben op de capaciteiten en competenties van de doelgroep: de kennis of het vaardigheidsniveau.

Voorbeeldvragen:

  • Heeft je doelgroep de mogelijkheid om het doelgedrag uit te voeren? Kunnen ze het daadwerkelijk uitvoeren?
  • Heeft de doelgroep voldoende kennis om het gewenste gedrag uit te voeren?
  • Weet de doelgroep wat van hen verwacht wordt?
  • Heeft de doelgroep voldoende vaardigheden om het gewenste gedrag uit te voeren?
  • Heeft de doelgroep vertrouwen in eigen kunnen om het doelgedrag uit te voeren (self-efficacy)?
  • Zijn de consequenties voor het wel/niet uitvoeren van het gewenste gedrag duidelijk?

3. Drivers en weerstand

Psychologische drijfveren (de basisprocessen en reacties uit het theoretisch model) en weerstanden (reactieve, sceptische en passieve weerstand).

Voorbeeldvragen over drivers:

  • Hoeveel aandacht heeft je doelgroep voor het doelgedrag? Veel of juist weinig?
  • Hoe hoog staat het doelgedrag op het prioriteitenlijstje van je doelgroep?
  • Waarom vindt de doelgroep het ongewenste gedrag leuk of belangrijk?
  • Welke waarden zijn vermoedelijk belangrijk voor jouw doelgroep?
  • Hoe wordt je doelgroep beloond of gestraft voor het gewenste/ongewenste gedrag?
  • In hoeverre is er sprake van gewoontegedrag bij de doelgroep?

Voorbeeldvragen over resistance:

  • Welke tekenen van reactieve weerstand zie je? ("Jij bepaalt niet wat ik moet doen") Waartegen verzet je doelgroep zich precies?
  • Welke tekenen van sceptische weerstand zie je? ("Ik geloof het niet") Waarover is je doelgroep precies sceptisch?
  • Welke tekenen van passieve weerstand zie je? ("Pfff.. daar heb ik geen zin in") Welke drempels ervaart de doelgroep?
  • Conflicteert het doelgedrag met basale behoeften van de doelgroep?

De mindmap opstellen

Het eindproduct van de open gedragsanalyse is een divergente mindmap: een visueel overzicht van alle factoren die mogelijk invloed hebben op het doelgedrag. De mindmap maakt zichtbaar hoe factoren naar verwachting met elkaar samenhangen en hoe ze het doelgedrag beïnvloeden.

Sjabloon voor een mindmap met factoren die leiden tot doelgedrag

Sjabloon voor een mindmap

Structuur van de mindmap

De mindmap volgt een logische structuur van links naar rechts. Groepeer alle factoren volgens de drie invalshoeken (Systeem, Kennis en vaardigheden, Drivers en weerstand):

  • Links - Ervaren belang: Factoren die invloed hebben op het ervaren belang dat de doelgroep hecht aan het doelgedrag.
  • Midden - Intentie: Factoren die invloed hebben op de intentie om het doelgedrag uit te voeren.
  • Rechts - Doelgedrag: Factoren die effect hebben op het daadwerkelijk uitvoeren van het doelgedrag.

Tips voor het maken van een mindmap

  • Wees volledig: Neem alle factoren op waarvan je denkt dat ze invloed hebben, ook als je twijfelt. Je kunt ze later altijd nog wegstrepen na de gerichte gedragsanalyse.
  • Geef richting aan: Gebruik pijlen om aan te geven of een factor het doelgedrag stimuleert (+) of remt (-). Bijvoorbeeld: "Descriptieve norm: anderen doen het ook" stimuleert, terwijl "Passieve weerstand: het kost te veel moeite" remt.
  • Voeg toelichting toe: Geef bij elke factor een korte beschrijving zodat duidelijk is wat je ermee bedoelt.
  • Maak verbanden zichtbaar: Als factoren elkaar beïnvloeden, teken dan ook deze relaties in.
  • Gebruik kleur: Maak onderscheid tussen de verschillende categorieën (Systeem, Kennis en vaardigheden, Drivers en weerstand) met kleur.

Van divergent naar convergent

De divergente mindmap die je hier maakt is het startpunt voor de volgende stap. In de gerichte gedragsanalyse valideer je met vragenlijsten welke factoren daadwerkelijk het belangrijkst zijn. Het resultaat is een convergente mindmap: een gefocust overzicht met alleen de gevalideerde kernfactoren die je meeneemt naar de ontwerpfase.

Niveau-analyse: Individueel of Systeem?

Voordat je naar de gerichte gedragsanalyse gaat, is het essentieel om je mindmap te controleren op het niveau waarop de factoren liggen. Gedragsproblemen kunnen hun oorsprong hebben op individueel niveau (i-frame) of op systeemniveau (s-frame). Een veelgemaakte fout is om alleen te focussen op individuele factoren, terwijl de echte oorzaken in het systeem liggen.

Let op: Voldoende S-frame factoren?

Controleer je mindmap: heb je voldoende factoren opgenomen die te maken hebben met het systeem (regelgeving, structuren, marktwerking, gevestigde belangen)? Onderzoek toont aan dat individuele interventies vaak slechts ~1-2% effect hebben wanneer systeemfactoren het gedrag in stand houden.

I-frame (Individu)

Factoren op individueel niveau:

  • Kennis en bewustzijn
  • Vaardigheden en self-efficacy
  • Persoonlijke motivatie en waarden
  • Gewoontes en automatismen
  • Individuele weerstanden

→ Leidt tot interventies als: nudges, voorlichting, training, defaults

S-frame (Systeem)

Factoren op systeemniveau:

  • Wet- en regelgeving
  • Financiële prikkels en marktwerking
  • Infrastructuur en fysieke omgeving
  • Organisatiestructuren en processen
  • Gevestigde belangen en lobby

→ Leidt tot interventies als: beleid, regelgeving, subsidies, structuurwijzigingen

Checkvragen voor je mindmap

Loop deze vragen langs om te bepalen of je voldoende systeemfactoren hebt meegenomen:

1. Controle-vraag:

  • Heeft het individu daadwerkelijk controle over het gedrag?
  • Zijn er structurele belemmeringen die het gewenste gedrag onmogelijk of zeer moeilijk maken?
  • Wordt het ongewenste gedrag actief gestimuleerd door externe partijen (bijv. marketing, bedrijfsbelangen)?

2. Schaal-vraag:

  • Hoeveel mensen vertonen dit gedrag? (Een wijdverbreid patroon wijst vaak op systeemfactoren)
  • Is het gedrag gerelateerd aan specifieke contexten of omgevingen?
  • Verandert het gedrag wanneer mensen in een andere omgeving komen?

3. Belangen-vraag:

  • Zijn er partijen die belang hebben bij het in stand houden van het huidige gedrag?
  • Welke economische of politieke krachten spelen een rol?
  • Wordt het probleem in stand gehouden door wet- of regelgeving?

Actie: Als je op deze vragen "ja" antwoordt maar weinig S-frame factoren in je mindmap hebt, vul deze dan aan voordat je verdergaat.

De kracht van combinatie: I-frame én S-frame

De meest effectieve gedragsverandering combineert beide niveaus. Individuele interventies werken beter wanneer het systeem ze ondersteunt, en systeemveranderingen zijn effectiever wanneer individuen ze begrijpen en accepteren.

Voorbeeld: Gezonder eten bevorderen

  • Alleen i-frame: Voorlichting over gezonde voeding, nudges in de kantine → beperkt effect door beschikbaarheid en prijs van ongezond voedsel
  • Alleen s-frame: Suikertaks, reclameverbod → weerstand zonder begrip bij de bevolking
  • Combinatie: Suikertaks + subsidie op groenten + voorlichting + gezonde defaults in kantines → synergie tussen niveaus

Gerichte gedragsanalyse

Het doel van de gerichte gedragsanalyse is om de assumpties die je hebt gemaakt in de open gedragsanalyse te toetsen. De perceptie van de opdrachtgever of jezelf is namelijk lang niet altijd correct of volledig, omdat we zelf soms ook ten prooi vallen aan heuristieken en onbewust verkeerde aannames. Als je weet welke factoren het belangrijkst zijn bij het gewenste doelgedrag, ben je in staat om je divergente mindmap om te zetten in een convergente mindmap (het eindproduct van de gerichte gedragsanalyse).

Methode: Vragenlijsten

De gerichte gedragsanalyse voer je uit met behulp van vragenlijsten. Neem in de vragenlijst alleen de factoren mee waarvan je denkt dat deze op deze manier te meten zijn. Factoren die je niet met vragenlijsten kunt meten, neem je direct mee in je interventie.

Stap 1: Voorbereiding

Bepaal de onderzoekspopulatie:

  • Waar kun je deze groep vinden?
  • Wanneer heeft deze groep eventueel tijd om een vragenlijst in te vullen?
  • Heeft deze groep er zelf belang bij om de vragenlijst in te vullen?

Bepaal de wervingsprocedure:

  • Wordt de vragenlijst persoonlijk, telefonisch of via een onlinetool afgenomen?
  • Wordt de vragenlijst groepsgewijs of individueel afgenomen?
  • Krijgen mensen een beloning voor hun deelname? (bijvoorbeeld een prijs verloten)

Stap 2: Constructie van de vragenlijst

Inleiding vragenlijst:

  • Geef de geschatte duur voor het invullen aan
  • Vermeld of antwoorden anoniem worden verwerkt

Vragen opstellen:

  • Zoek naar bestaande vragenlijsten in de literatuur
  • Maak concrete vragen: concreter is beter!
  • Gebruik meerdere vragen per abstracte factor (betrouwbaarder)
  • Stel korte en duidelijke vragen
  • Stel alleen relevante vragen
  • Stem de formulering af op de kennis en vaardigheden van de doelgroep

Voorkom valkuilen:

  • Sociaal wenselijk antwoorden: Garandeer anonimiteit, voorkom sturende vragen, zet gevoelige vragen niet aan het begin
  • Yes-bias: Herformuleer vragen zodat respondenten niet zomaar 'ja' kunnen antwoorden
  • Negatieve vragen en termen: Vermijd vragen zoals "Er zijn veel mensen die klagen dat..."
  • Samengestelde vragen: Stel nooit twee vragen tegelijk in één vraag

Antwoordmogelijkheden:

  • Houd het simpel en label alle antwoordmogelijkheden
  • Gebruik een 5- of 6-puntsschaal (5-punt heeft neutrale optie, 6-punt forceert keuze)
  • Maak antwoordopties uitputtend (voeg eventueel "Anders, namelijk..." toe)
  • Zorg dat antwoordopties elkaar uitsluiten
  • Gebruik een logische volgorde (laag naar hoog of hoog naar laag)
  • Voeg "niet van toepassing" toe indien nodig

Indeling & instructies:

  • Zorg voor een heldere en ruime lay-out
  • Zet soortgelijke vragen bij elkaar
  • Zet persoonsgegevens achteraan
  • Volg de volgorde van je divergente mindmap (links naar rechts)
  • Gebruik begeleidende teksten en heldere instructies
  • Bouw correcte routing in zodat deelnemers geen irrelevante vragen hoeven te beantwoorden
  • Maak ruimte voor opmerkingen aan het einde
  • Neem altijd een testafname af bij vrienden of kennissen

Stap 3: Afname vragenlijst

Online tools:

  • Surveymonkey.com
  • Google Forms
  • Enquetesmaken.com
  • Typeform.com
  • MailChimp (handig om respons bij te houden)

Tips:

  • Verstuur een reminder om de respons te verhogen
  • Analyseer non-respons: weerspiegelen de respondenten de gehele doelgroep?

Gevaren van zelf-rapportage

Houd rekening met deze valkuilen bij het interpreteren van resultaten:

  • Zelfbeeld: Mensen willen graag een positief zelfbeeld hebben en interpreteren hun gedrag soms onbewust positiever dan het eigenlijk is
  • Kwaliteit van introspectie: Mensen zijn zich niet van elke gedraging bewust. Vraag of respondenten het antwoord echt weten, of dat ze waarschijnlijk gokken
  • Begrip en interpretatie: Deelnemers kunnen vragen anders interpreteren. Dit speelt vooral bij abstracte zaken zoals persoonlijkheid
  • Antwoordbias: Deelnemers zijn vaak geneigd om op een bepaalde manier te antwoorden, ongeacht de vraag
  • Weinig ervaring: Mensen zijn slecht in het voorspellen van wat ze van iets vinden of hoe ze zouden reageren als ze hier geen ervaring mee hebben

Let op: Om na afloop de samenhang tussen de factoren en (intentie voor) het gedrag te kunnen analyseren, is het belangrijk dat je zowel de psychologische factoren uitvraagt als (de intentie tot) het gedrag zelf.

Tip: Als gevolg van de inzichten die je opdoet in deze stap kan het zijn dat het logisch is om je oorspronkelijk gedefinieerde doelgroep en/of doelgedrag aan te passen. Ga in dat geval terug naar stap 1 (Doelanalyse).

Weerstanden herkennen

Bij gedragsverandering ontstaat vaak weerstand. Het is belangrijk om te begrijpen welk type weerstand speelt, zodat je hier gericht op kunt inspelen. Er zijn drie hoofdtypen weerstanden, elk gekoppeld aan een onderliggende behoefte:

Reactieve weerstand "Jij bepaalt niet wat ik moet doen" Sceptische weerstand "Ik geloof het niet" Passieve weerstand "Pfff.. daar heb ik geen zin in"

Reactieve weerstand ("Jij bepaalt niet wat ik moet doen")

Wat is het? Weerstand die ontstaat wanneer mensen het gevoel hebben dat hun keuzevrijheid wordt beperkt of bedreigd. Ze verzetten zich tegen de boodschap, zelfs als ze het er eigenlijk mee eens zouden zijn.

Herkennen aan: "Ik bepaal zelf wel wat ik doe", "Niemand vertelt mij wat ik moet doen", actief tegenovergesteld gedrag vertonen.

Voorbeeld: Een medewerker die verplicht wordt om een nieuw registratiesysteem te gebruiken, gaat juist vaker de oude methode gebruiken of zoekt manieren om het nieuwe systeem te omzeilen - niet omdat het oude beter werkt, maar omdat de verplichting als aantasting van autonomie voelt.

Sceptische weerstand ("Ik geloof het niet")

Wat is het? Weerstand die voortkomt uit twijfel over de betrouwbaarheid van de informatie, de boodschapper, of de voorgestelde oplossing. Mensen willen zekerheid voordat ze veranderen.

Herkennen aan: "Is dat wel bewezen?", "Wie zegt dat?", "Dat werkt hier niet", kritische vragen over bronnen en bewijs.

Voorbeeld: Een team dat moet overstappen naar een nieuwe werkmethode twijfelt openlijk aan de onderbouwing: "Die consultant heeft makkelijk praten, maar kent onze praktijk niet. Laat eerst maar eens zien dat het elders echt werkt."

Passieve weerstand ("Pfff.. daar heb ik geen zin in")

Wat is het? Weerstand door gebrek aan energie of motivatie om te veranderen. Het huidige gedrag kost minder moeite, en de verandering voelt als te veel inspanning.

Herkennen aan: "Het gaat toch prima zo?", "Dat kost te veel tijd", uitstelgedrag, passief verzet, half-hartige pogingen.

Voorbeeld: Een patiënt die weet dat meer bewegen goed zou zijn, maar telkens redenen vindt om het uit te stellen: "Volgende week begin ik echt", "Het regent", "Ik ben te moe na het werk." De intentie is er wel, maar de stap naar actie blijft uit.

Tip: Vaak spelen meerdere weerstanden tegelijk. Analyseer welke dominant is en pas je aanpak daarop aan. Bij reactieve weerstand geef je meer autonomie, bij sceptische weerstand versterk je de geloofwaardigheid, en bij passieve weerstand verlaag je de drempel voor actie.

Checklist

Onderzoeksmethoden

  • Observaties zijn uitgevoerd (indien van toepassing)
  • Interviews zijn afgenomen en geanalyseerd
  • Literatuuronderzoek is uitgevoerd (minimaal 2 artikelen per onderwerp)

Factor indeling

  • Systeemfactoren zijn geïdentificeerd (omgeving, keuze-architectuur, regels)
  • Kennis- en vaardigheidsfactoren zijn geïdentificeerd (kennis, vaardigheden, self-efficacy)
  • Drivers en weerstandsfactoren zijn geïdentificeerd (drijfveren, weerstanden)
  • Factoren zijn weergegeven in een divergente mindmap

Niveau-analyse (voor gerichte analyse)

  • Mindmap gecontroleerd op voldoende S-frame (systeem)factoren
  • Geanalyseerd of het individu daadwerkelijk controle heeft over het gedrag
  • Geïdentificeerd welke structurele belemmeringen of gevestigde belangen spelen
  • Overwogen of een combinatieaanpak (i-frame + s-frame) nodig is

Afronding

  • Gerichte gedragsanalyse is uitgevoerd en factoren zijn gevalideerd
  • Kernfactoren zijn geïdentificeerd en geprioriteerd (zowel i-frame als s-frame)
  • Er is een helder beeld van wat er moet veranderen om het doelgedrag te bereiken